In het ziekenhuis De Gelderse Vallei overleed op 11 mei, gesterkt door het sacrament der zieken, Maria van Opstal-Janssen. Ze was in haar 91ste levensjaar.

Geboren in Blaricum in een gezin van zes kinderen, kreeg ze tijdens de Tweede Oorlog te maken met de gevolgen en uitwassen van die oorlog, met name de NSB. Ze kwam in een jeugdherberg terecht, later in kamp Westerbork en werd gedeporteerd per trein naar Tsjecho-Slowakije. Ze werd te werk gesteld in enkele werkkampen. Terug in Nederland ging ze de opleiding doen voor de gezinszorg en later maatschappelijk werkster. In haar huwelijk met Adriaan van Opstal was ze niet gelukkig, totdat hij in 1979 overleed. 

Maria voelde zich na het Tweede Vaticaanse Concilie niet meer thuis in de katholieke kerk en deed belijdenis in de Gereformeerde Kerk. Daar miste ze na een poosje de warmte van de katholieke kerk met haar mooie liturgie en rijke symbolen… en Maria. Ze ging katholieke theologie studeren om als maatschappelijk werkster meer geestelijke bagage voor de mensen te hebben. Ze ontwikkelde een hoog spiritueel leven en voelde zich daar zeer rijk mee. In huize Heidestein maakte ze voor iedere H. Mis de voorbeden, waarin ze alle noden van de mensen zoals ze die zag in huis, op de TV en in de krant, verwerkte. Door haar geloof en gebed is ze nooit verbitterd geraakt, zelfs niet over mensen, die haar het leven moeilijk gemaakt hadden. Vorig jaar verhuisde ze naar huize Vilente Overdal en vroeg ze pastoor Frans Bomers haar voor te bereiden op de dood. Na dankzegging in de St. Bernulphuskerk hebben we haar op het kerkhof aldaar begraven. Een schat van een vrouw is heengegaan.

Moge ze rusten in vrede bij God.