Oecumenische viering Raad van Kerken Oosterbeek-Wolfheze, 15 januari 2012,
Week van gebed voor de eenheid van de christenen, 15 - 22 januari 2012 Landelijk thema: "Winnen met gevouwen handen".
Voorgangers: Pastor Jan Olimulder en ds Oebele van der Veen Lector: Marlies Raaymakers Organist: Frank Delnoy Koor: Zang en Vriendschap uit Wolfheze olv Frank Delnoy
Overweging
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Als je in een moeilijke situatie bent, kun je je aan van alles vastgrijpen. Je bent erop gespitst of de uitslagen van een onderzoek wat betere resultaten laten zien. Of je vraagt je af of er nog een sprankje vriendelijkheid zit in een vastgelopen relatie. Of - in de kerk – je ziet ernaar uit, dat er weer belangstelling is, dat jeugdwerk opbloeit en mensen weer in gesprek met elkaar raken. En elke interesse, doet je weer even opleven. Zie je wel – het valt allemaal wel mee. Die houding zou ik willen noemen: leven op grond van verwachtingen en prognoses. Je tast af hoe de ont¬wikkelingen zijn en grijpt elke spoortje en glimpje aan om het vol te houden. Je bent daar dan ook van afhankelijk: want als uitslagen negatief zijn, als je op norsheid stuit in je relaties, als de mensen weglopen, dan zou je het weleens op kunnen geven. We zien het op dit moment in de economie, in de discussies over de euro, in de politieke beschouwingen. Als de cijfers te¬genvallen, ontstaat er een doem, een zwarte wolk in onze geest. Verwachtingen zijn breek¬baar.
Maar met verwachtingen is niet alles gezegd. Er bestaat ook ‘hoop’ en hoop verschilt radicaal van ‘verwachting’. Hoop dobbert niet op en neer op de golven en grillen van alle dag. Václav Havel, de onlangs overleden Tsjechische politicus en denker, heeft dat prachtig geformuleerd: Diep in ons zelf dragen we hoop: als dat niet het geval is, is er geen hoop. Hoop is de kwali¬teit van de ziel en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt. Hoop is niet voorspellen of vooruitzien. Het is een gerichtheid van de geest, een gerichtheid van het hart, voorbij de hori¬zon verankerd. Hoop in deze diepe en krachtige betekenis is niet hetzelfde als vreugde omdat alles goed gaat of bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft. Hoop is ergens voor wer¬ken omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Wel de zekerheid dat iets zinvol is afgezien van de afloop, het resultaat.
De apostel Paulus spreekt ook op die manier over hoop. In zijn brief aan de Romeinen (8:18 e.v.) zegt hij – (vrij weergegeven): Je ziet hoe moeizaam en verdrietig alles is. Ik zeg je: het komt toch goed, beter dan je jezelf kunt voorstellen. Denk maar eens aan een vrouw die een kind krijgt. Je ziet dan de spanning en de pijn. Méér zie je niet. Je kunt meezuchten met de weeën. Ja, dat is wat we nu eigenlijk doen. Meezuchten en steunen en afwachten, totdat wat we hopen en verlangen zichtbaar zal worden: iets van het licht van God en wij… samen kinderen van de Eeuwige. Dat is onze hoop: dat het goed zal komen met ons en met deze wereld. Hoe dan ook. Maar – zo voegt Paulus eraan toe: Als we nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden. (Romeinen 8:23-24). Het woord dat hier met ‘volharding’ (hupomenè) vertaald wordt, betekent letterlijk: eronder blijven: je houdt stand op één plaats, je loopt niet weg.
Die rust spreekt mij aan: doen wat je vindt dat je moet doen en blijven bij wie je bent. Ja, het is nog sterker met de hoop. De hoop lijkt wel toe te nemen naarmate de omstandigheden moeilijker worden. Op een geweldige manier brengt Habakuk dat onder woorden – we heb-ben het gelezen: Al zal de vijgenboom niet bloeien, de wijnstok niets voortbrengen,
de oogst van de olijfboom tegenvallen, er geen koren op de akkers staan, er geen schaap meer in de kooien zijn en geen rund meer binnen de omheining - toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt. (Habakuk 3:17-18)
Vreemd: juist als er helemaal niets meer te verwachten is, als je helemaal onderin het dal zit, dan is daar die wonderlijke hoop, die zo sterk wordt, dat je blijft zingen en jubelen. Alsof hier de wet geldt van de communicerende vaten. Wanneer je in een u-vormige buis water giet, gaat het water aan beide zijden even hoog staan. Voeg je aan de ene kant nog iets toe, dan stijgt het ook aan de andere kant. Zo lijkt het ook hier: als de spanning en het verdriet aan de ene kant toenemen, groeit aan de andere kant de hoop. Dat heb je nodig om het evenwicht te herstellen. Je hebt iets nodig dat groter is dan het verdriet, iets dat het levensverlangen gaande houdt,iets waardoor je je met meer intensiteit inzet. Hoop is een innerlijke motor, juist als het er op aan¬komt.
De mensen in Polen die deze oecumenische viering voorbereidden, weten er over mee te pra-ten. Ze komen uit een land met een lange geschiedenis van verscheurdheid en onderdrukking. In de beroemde bedevaartsplaats Czestochowa staat een icoon van Maria, een zwarte Ma¬donna. In 1430 hebben woedende rovers de beeltenis van Maria met sabels bewerkt. Het ver¬haal gaat dat zij bloed huilde en drie stukken brak. De icoon werd hersteld, maar de drie litte¬kens op Maria’s linkerwang herinneren de pelgrims nog altijd aan het zwaard en de pijn. In 1770 werd ze gekroond tot koningin en redster van Polen. In haar verwondingen zien de Po¬len iets van wat zijzelf doormaakten. Door de geschiedenis heen waren ze speelbal. Aan het eind van de 18e eeuw werd het land zelfs verdeeld onder Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Het einde van Polen... En toch bleef de hoop bestaan en groeien. Na de eerste wereldoorlog kre¬gen ze weer eens stuk land terug. In 1945werd het land verschoven op de landkaart: in het oosten ging en een stuk af, in het westen kwam er een stuk bij. Daarop volgde een commu¬nistische dictatuur, waaruit het land pas aan eind van de jaren ’70 bevrijd werd. Wanneer je als volk, zo verscheurd en vernederd bent, waar haal je dan de moed vandaan? Ook in de donkerste tijden blijft blijkbaar de hoop bestaan. Juist dan.
Hoe kan dat toch, dat hoop zo onverwoestbaar is? Misschien kun je zeggen: het is een overle¬vingsmechanisme. Er zit een drift in ons allen die bewerkt dat we blijven voortbestaan, als soort, als mensheid, maar ook als persoon. Je blijft dus doorvechten, je kunt niet anders. Zo kun je hoop als menselijk verschijnsel bekijken.
Vanuit je geloof kun je zeggen: hoop is verankerd in het diepste mysterie van onze werkelijk¬heid: God. Van daaruit kun je zeggen: we zijn er als mens niet zomaar. Als Hij, de Eeuwige ons gewild heeft, zal hij ons ook een toekomst van ruimte en bevrijding geven. En dat ver¬trouwen, dat verlangen houdt nooit op.
De hoop blijft dus, als een onblusbaar innerlijk vuur, dat des te hoger opvlamt, als de nacht donkerder wordt. Ze is ook niet voor één gat te vangen. Hoop is niet gericht op één oplossing. Ze heeft niet het ene antwoord, maar ze fluistert ons wel in: wat er ook gebeurt – het komt goed. Dit wordt prachtig uitgedrukt in het beeld van de graankorrel, beeld van de levensweg van Jezus. Voor de graankorrel die in de donkere aarde valt, is er weinig te verwachten: ze zal verteren en vergaan. Maar hoop gaat dieper dan verwachting: juist waar ontbinding en verrot¬ting de overhand lijken te hebben, is daar die kiem die gaat groeien en vrucht geeft, veel vrucht. Je leven kan verloren lijken, maar juist dan kun je het vinden. Jezus wist dat hij ging sterven: een leven dat voor de ogen van mensen uitloopt op een mislukking. Maar de hoop, het onuitblusbare vuur, doet hem verdergaan: het vertrouwen dat zijn leven vruchtbaar zal zijn voor wie hem volgen. Door de dood heen ging zijn weg naar het licht.
Verwachten en hopen – wat betekent dat nu voor ons? Wie de statistieken volgt over de ont-wikkeling van de Euro, wie kijkt naar de gewapende conflicten in de wereld, wie oog heeft voor de klimaatontwrichting, zal in dat alles weinig reden vinden tot verwachting. En als we kijken naar onszelf, als kerkgemeenschappen, dan ontkomen we er niet aan onder ogen te zien, dat de belangstelling voor kerk en geloof afgenomen zijn. Honderden gebouwen zijn al gesloten. Bovendien is er in de samenwerking minder mogelijk dan vroeger: positieve ont-wikkelingen zijn teruggedraaid, de openheid in oecumenische contacten stagneert door allerlei regels en voorschriften. Iedereen lijkt weer voor zichzelf te gaan of te moeten gaan. Zo is de tendens, dat is wat er nu te verwáchten valt. Maar hoop gaat dieper. Je kunt niet verder dalen dan tot onderin het dal – op de een of andere manier gaat de weg daarna weer omhoog. An¬dere wegen misschien dan wij gedacht hadden, maar wel omhoog. De crisis rond de euro, de economie en de banen, zal mogelijk ook weer een verdieping en verrijking brengen in ons denken en ervaren. En de kerk? We hebben een waardevolle overlevering aan oude bijbel¬woorden en rituelen. Die raken ons steeds weer en zijn een spiegel voor ons. Het is een rijk¬dom om daarmee samen bezig te zijn, ook over de grenzen van de kerk heen. We mogen blij zijn met elkaar en dat vieren. Juist waar het moeilijk en donker lijkt, vlamt de hoop op. De Eeuwige zal ons geleiden. Het komt goed.
| < Vorige | Volgende > |
|---|





