Zesde zondag door het jaar, 12 februari 2012
Eucharistieviering met muzikale medewerking van het Bernulphuskoor olv Ed Sanders
Voorganger: pastor Max v.d. Wiel
Lector: Gerard Waardijk Organist: Frank Delnoy
Preek 6e Zondag door het Jaar B
Lezingen: Leviticus 13, 1-2.45-46; 1 Korintiërs 10, 31-11, 1; Marcus 1, 40-45.
Op Wereldlepradag, de laatste zondag van januari, wordt jaarlijks aandacht gevraagd voor de situatie van leprapatiënten in de gehele wereld. In landen waar lepra heerst gebeurt dat veelal door manifestaties, waarin aandacht wordt gevraagd voor de sociale uitsluiting die vaak het gevolg is van deze ziekte. Daarnaast speelt Wereldlepradag een belangrijke rol in het bewustwordingsproces van leprapatiënten zelf, die vaak niet weten dat lepra te genezen is en handicaps te voorkomen zijn. Bij deze manifestaties zijn het de leprapatiënten zelf, die aandacht vragen voor hun problemen. Door lepra op deze wijze uit de taboesfeer te halen, word1lepra eerder herkend en erkend, kunnen de behandelingen eerder beginnen, en worden besmettingen voorkomen.
“Heeft iemand een gezwel, uitslag of een vlek op zijn huid”, hoorden we zojuist in de 1e lezing, “en gaat het lijken op huidziekte, dan moet men hem bij de priester Aaron of bij een priester van diens geslacht brengen.” Wie een vreemde plek op zijn huid constateert, moet daarmee naar een priester gaan. Een hoogst merkwaardig gebod. Had men in Oudtestamentische tijden dan geen artsen? Waarschijnlijk wel. Maar de prominente plaats van de priester in de diagnose van onder andere huidziektes heeft evenwel te maken met de visie die men toen had op ziekte en gezondheid. Want ondanks het bestaan van artsen en geneesmiddelen, kende men niet de wetenschappelijke benadering van ziektes, zoals wij die nu kennen.
Ziekte had namelijk direct te maken met het leven zelf, dat door God geschonken was. Ziekte en dood waren levensvernietigende krachten, die door de mens zelf ‘ín het leven’ waren geroepen. De ervaring leerde, dat de dood vaak gepaard ging met mysterieuze ziektes, met lijden, ellende en rampen. Vaak waren deze een gevolg van menselijk handelen. Daarom werden zij gezien als straf voor de zonden, voor de misstappen van individuele mensen, of zelfs van een heel volk. De relatie priester - huidziekte komt hierdoor in een ander daglicht te staan.
Als de ziekte wijst op een verstoorde relatie met God, dan moest de priester wel de eerst aangewezen persoon zijn om die relatie te herstellen. Daarbij spelen termen als ‘rein’ en ‘onrein’ een grote rol. Het gaat daarbij dan niet om de hygiënische ‘rein’ en ‘onrein’, maar veeleer om een plaats in de cultus, in de eredienst. Want iemand die door de priester onrein werd verklaard, was uitgesloten van ieder contact met het heilige, en daarmee ook met de gehele samenleving. In een cultuur waar offer en gebed een belangrijke plaats innemen, zorgde uitsluiting daarvan voor een groot isolement.
“Ga u laten zien aan de priester”, zei Jezus tegen de melaatse, “en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren.”
Ook in Jezus’ tijd was melaatsheid een schrikwekkende ziekte. Niet zozeer vanwege de huidziekte, maar ook vanwege de totale uitstoting uit de maatschappij. Een melaatse was als het ware een levende dode, een ‘outcast’. Iemand die in spelonken huisde, en aan de rand van de samenleving vegeteerde. Hij was niet alleen van het land van de levenden uitgesloten, maar ook, volgens de toenmalige wetgeving, van Gods’ nabijheid.
In de evangelielezing van vandaag doorbreekt de melaatse eigenhandig de wetten van de samenleving. “Als Gij wilt”, zo smeekt hij tegen Jezus, “kunt Gij mij reinigen.” Ook Jezus doorbreekt de voorschriften rond reinheid. Door medelijden bewogen steekt hij zijn hand uit, en raakt de melaatse aan. Dat Jezus de melaatse man aanraakte was een voor die tijd onvoorstelbare daad. Nog afgezien van de natuurlijke weerzin die deze ziekte opwekte, bracht elke aanraking ook een rituele verontreiniging met zich mee.
De uitgestotenen, zij die door hun lijden buiten de gemeenschap kwamen te staan, zagen zichzelf door de mensen verworpen, en daarmee ook misprezen en verstoten door God. De uitgestoken hand van Jezus laat zien dat voor God de mens niet in categorieën in te delen valt. Elk mens is een kind van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Dit bewustzijn moet eerder bindend, dan isolerend werken.
Vandaag de dag is lichamelijke melaatsheid of lepra overwegend te genezen. Een ziekte wordt in onze samenleving niet meer gezien als een soort straf. Leprapatiënten hoeven hier dan ook niet meer uitgestoten te worden. Maar daarentegen kent onze maatschappij wel andere vormen van ‘melaatsheid’: Aids-patiënten, verslaafden, zwervers. Mensen, die om wat voor reden dan ook buiten de boot vallen. Mensen, die leven in de marge van de samenleving. Mensen, die het leven niet meer zien zitten, die de zin en het doel in hun leven zijn kwijt geraakt.
Hoe gaan wij om met deze ‘melaatsen’ van onze maatschappij? Steken wij een hand uit, of lopen wij met een grote boog om hun heen? Jezus stak zijn hand uit om elke scheiding tussen mensen te doorbreken. Deze uitgestrekte hand kan in onze wereld, onder mensen, zichtbaar worden gemaakt om aan te geven dat niemand op zichzelf is aangewezen. Dat God een God van verbondenheid is, die niemand uitsluit. Door deze erkenning van de ander als naaste, mag het leven weer een kans krijgen. Amen.
| < Vorige | Volgende > |
|---|





