-
Donderdag 13 Augustus : Uit de profeet Ezechiël 12,1-12.
Het woord van de Heer werd tot mij gericht: Mensenkind, ge woont temidden van een weerspannig volk, dat ogen heeft om te zien maar niet ziet, en oren om te horen maar niet hoort; het is nu eenmaal een weerspannig volk. Mensenkind, pak bij elkaar zoveel als een balling mee kan nemen en ga bij dag, voor aller ogen, in ballingschap. Voor hun ogen moet ge uit uw woonplaats vertrekken naar elders; misschien komen ze dan tot het inzicht dat ze een weerspannig volk zijn. Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling. Maak voor hun ogen een gat in de muur en stap daar doorheen. Uw bagage moet ge voor hun ogen op uw schouders laden en in het donker vertrekken; ge moet uw gezicht bedekken, zodat ge de grond niet kunt zien; want Ik maak u tot een teken voor het volk van Israël. Ik deed zoals mij bevolen was; ik bracht de bagage die ik als balling nodig had overdag naar buiten, en tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouder en vertrok. De volgende morgen werd het woord van de Heer tot mij gericht: Mensenkind, heeft het volk van Israël, dat weerspannige volk, u niet gevraagd: 'Wat doet u?' Zeg tot hen: Zo spreekt God de Heer: Dit is een boodschap voor de vorst in Jeruzalem en voor heel het volk van Israël dat daar woont. Zeg tot hen: Ik ben voor u een teken; zoals Ik gedaan heb, zo zal met hen gebeuren: in ballingschap, in gevangenschap zullen ze gaan. Hun vorst zal in het donker zijn bagage op zijn schouder laden en de stad verlaten; men zal een gat in de muur maken om hem naar buiten te laten; hij zal zijn gezicht bedekken, omdat hij deze grond met eigen ogen niet zal weerzien.
-
Donderdag 13 Augustus : Psalmen 78(77),56-57.58-59.61-62.
Zij beproefden en tartten God weer en wilden zijn wetten niet onderhouden. Zoals hun vaderen dwaalden zij af, als pijlen van onbetrouwbare bogen. Met offerhoogten tergden zij Hem en wekten zijn naijver op met hun beelden. God zag hun gedrag en ontbrandde in woede, wierp Israël ruw van zich af. Zijn Sterkte liet Hij in ballingschap gaan, zijn Luister gaf Hij de vijand in handen. Zijn volk gaf Hij prijs aan het moordende zwaard, zijn gramschap kwam neer op zijn erfdeel.
-
Donderdag 13 Augustus : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 18,21-35.19,1.
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: 'Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?' Jezus antwoordde hem: 'Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.' Toen Jezus deze toespraak geeindigd had, vertrok Hij uit Galilea en ging naar het Overjordaanse gebied van Judea.
-
Donderdag 13 Augustus : H. Augustinus
Iedereen staat bij God in het krijt en iedereen heeft ook wel weer een ander die bij hemzelf in het krijt staat. Ieder staat bij God in de schuld, behalve degene die zonder zonden is, die niet. Ieder van ons heeft wel iemand bij wie hij in de schuld staat. Alleen als er niemand tegen je zondigt, is er niemand bij wie je in de schuld staat. Denkt u soms dat er in het hele mensdom ook maar iemand te vinden is, die ook zelf niet door een zonde aan een ander vast zit? Iedereen staat bij iemand in de schuld, en iedereen heeft ook weer iemand die bij hem in de schuld staat… Een bedelaar vraagt u om barmhartigheid en u bedelt weer bij God, want als we bidden, bedelen we allemaal bij God. We staan voor de deur van onze Vader (cf Lc 11,5v) ; nee, sterker nog we knielen voor Hem neer; we smeken Hem al kreunend en steunend, we willen van Hem genade krijgen en die genade is God zelf. Wat vraagt een bedelaar aan u? Brood. En u, wat vraagt u aan God, toch niet om iets anders dan om Christus, die zei: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald” (Joh 6,51). Wilt u vergeven worden? Vergeef. “Scheld kwijt en u zal kwijtgescholden worden”. Wilt u ontvangen? “Geef en het zal u gegeven worden”(Lc 6,37)... Wij moeten bereid zijn om alle misstappen die tegen ons begaan zijn, te vergeven, als we tenminste zelf door God vergeven willen worden. Want als we echt over onze zonden zouden nadenken en op een rijtje zetten wat wij gedaan hebben, dan weet ik zonet nog niet of we zonder de zware last van die schuld te voelen, zouden kunnen slapen. Elke dag bidden we dus tot God en elke dag komen we bij God aankloppen, elke dag vallen we op onze knieën en zeggen: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”. Voor welke schulden wilt u vergeven worden? Voor alle of voor maar een gedeelte? U zult antwoorden: Alle. Doe dat dan ook bij ùw schuldenaar.
-
Woensdag 12 Augustus : Uit de profeet Ezechiël 9,1-7.10,18-22.
De Heer riep met luide stem en het klonk in mijn oren: 'Treed nader, gij die de straf voltrekken moet aan de stad, uw wapens gereed om haar te vernietigen.' Daar kwamen zes mannen door de noordelijke bovenpoort, de wapens gereed om de stad te vernietigen. Onder hen bevond zich een man in linnen gekleed en met aan zijn middel een inktkoker. Ze kwamen nader en gingen naast het bronzen altaar staan. De heerlijkheid van de God van Israël was opgestegen van de kerubs waarop ze stond en had zich verplaatst naar de drempel van het heiligdom. de Heer riep tot de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn middel: 'Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een teken op het voorhoofd van de mannen die jammeren en klagen over alle gruweldaden die daar bedreven worden.' En tot de anderen zei Hij duidelijk hoorbaar: 'Trek door de stad achter hem aan, en sla de inwoners meedogenloos en zonder erbarming neer. Grijsaards, jongemannen en meisjes, zuigelingen en vrouwen moet ge onbarmhartig doden, maar raak niemand aan die het teken draagt; bij mijn heiligdom moet ge beginnen.' Ze begonnen dus bij de mannen die zich voor het heiligdom bevonden. En Hij zei tot hen: 'Verontreinig de tempel en vul de voorhoven met lijken. Vooruit!' En zij vertrokken en sloegen op de bevolking in. Toen verliet de heerlijkheid van de Heer de drempel van het heiligdom en plaatste zich op de kerubs. De kerubs sloegen hun vleugels uit en verhieven zich voor mijn ogen van de grond, en de wielen gingen met hen mee. Ze daalden neer bij de oostpoort van de tempel met de heerlijkheid van de God van Israël boven zich. Het waren dezelfde wezens die ik gezien had onder de God van Israël, toen ik aan de Kebar verbleef, en ik begreep nu dat het kerubs waren. Ieder had vier gezichten, ieder had vier vleugels en onder hun vleugels zo iets als mensenhanden. En wat de gezichten betreft: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had aan de Kebar; het waren dezelfde wezens en ze bewogen zich recht voor zich uit.
-
Woensdag 12 Augustus : Psalmen 113(112),1-2.3-4.5-6.
Verheerlijkt, dienaars des Heren, verheerlijkt de Naam van de Heer De Naam van de Heer zij geprezen, vandaag en in eeuwigheid. Van ochtendgloren tot avondrood moet ieder die Naam aanbidden. Want boven de volkeren troont de Heer, zijn Glorie beheerst de hemel. Wie is als de Heer onze God, hoog boven de sterren gezeten? die van omhoog overziet het hemelgewelf en de aarde;
-
Woensdag 12 Augustus : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 18,15-20.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen. Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen. Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de Kerk. Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar. Voorwaar, Ik zeg u: wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn. Eveneens zeg ik u: wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen ‑ het moge zijn van het wil ‑ zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.'
Teksten zijn ontleend aan de website "Dagelijks Evangelie, www.dagelijksevangelie.org"
St. Bernulphus geloofsgemeenschap, Utrechtseweg 129, 6862AG Oosterbeek, tel: 026-3333200, mail: oosterbeek@pztb.nl